Het is een herfstdag. Ik fiets langs de snelweg. Een open stuk met links van mij een bedrijven terrein. Zul je altijd zien, heb je haast, en heb je ook nog wind tegen.

De bladeren vliegen langs mijn oren. De donkere wolken drijven dreigend over mij heen, alsof de hel zo los kan breken. De vlaggenmasten van de bedrijven hebben moeite om zich staande te houden. Ik kom voor mijn gevoel geen meter vooruit. Ik trap met al mijn kracht, gebukt probeer ik de wind te vermijden. Mijn haar gaat alle kanten op en ik voel mij alles behalve prettig. Mijn humeur past zich direct aan. Ik voel een wind van chagrijnigheid door mijn lijf gieren. Mijn gedachten doen er nog even een schepje boven op; “dat heb ik ook áltijd” “waarom moet dat mij altijd overkomen als ik haast heb” “ik kan ook nóóit eens genieten van een fietstochtje”.

Er fietst een man mij tegemoet. Hij zit netjes rechtop, trapt moeiteloos vooruit en zijn haar zit nog netjes in een scheiding. De blaadjes waaien met hem mee. Een golf van jaloezie overvalt me. Hoe fijn is dat als je gewoon lekker naar huis geblazen wordt!? Wat zal dat een heerlijk gevoel zijn. “Dat heb ik nou nooit” zeg ik tegen mijzelf “bij mij zit altijd alles tegen”.

Op de weg terug fiets ik op dezelfde weg. Dan kom ik een vrouw tegen. Ze kijkt geïrriteerd en trapt met grote moeite vooruit. Pas op het eind de weg zie ik de vlaggenmast. Nog steeds hebben ook zij het zwaar te verduren. De weg die zo straks een eeuwigheid leek te duren, lijkt nu een paar meter. Ik besef mij dat ik helemaal niet doorhad dat ik nu zo eenvoudig vooruit kwam. Waar ik zo straks de wind vervloekte omdat hij mij tegenhield, was ik mij nu helemaal niet bewust van dat hij mij nu naar huis blies.

Op een of andere manier is het toch gemakkelijker om geïrriteerd te zijn over de dingen die tegenwerken dan blij te zijn met de dingen die je wél werken.

Note to self: kijk eens vaker naar de dingen die wel goed gaan!